Wie zijn onze erfgenamen?
Wanneer wij geen schenking of testament maken, wijst de wet zelf de erfgenamen
aan. Zij heeft een rangschikking opgemaakt, en de erfgenamen opgedeeld in vier
orden volgens bloedverwantschap, te weten:
- alle afstammelingen - kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen
- de ouders van de overledene samen met broers, zusters en/of de
afstammelingen van deze laatsten
- alle bloedverwanten in de opgaande lijn - de ouders als de overledene geen
broers, zusters of hun afstammelingen nalaat, grootouders
- de bloedverwanten in de zijlijn, andere dan broers en zusters en hun
afstammelingen - ooms, tantes, neven en nichten,...
Een
hogere orde sluit de lagere steeds uit. Binnen de orde zal de graad bepalen of
men erft. De voorrangsregens van orde en graad moeten samen worden
toegepast.
De graad wordt bepaald door de optelling van het aantal generaties
tussen de overledene en zijn bloedverwant. Zo is er tussen de ouders en hun
kinderen één generatie. Zij staan dus tot elkaar in de eerste graad. Het
verschil tussen grootouders en kleinkinderen bedraagt twee generaties. Zij staan
dus in de tweede graad. Als de overledene en zijn bloedverwant niet
rechtstreeks van elkaar afstammen, wordt geteld via de gemeenschappelijke
stamouder. Zo staan twee neven tegenover elkaar in de vierde graad. Tussen
hen zijn er immers vier generaties. Er wordt geteld via de ouders en grootouders
(gemeenschappelijke stam).
Op de voorrangsregels bestaan twee uitzonderingen:
plaatsvervulling en kloving.
De echtgenoot neemt een afzonderlijke plaats in.
Gehuwd zijn en al of niet kinderen hebben, geeft een totaal verschillend
beeld:
|